HET FUNCTIONEREN [ Jaarverslag 1981 ] [ HOME ]

De gemeente Naarden heeft vanaf de eeuwwisseling 1800 - 1900 tot de vorige reorganisatie in 1993 zijn eigen politie gehad. Dit betekende dat het beheer bij de gemeente lag en dat de burgemeester het hoofd van de plaatselijke politie was. Elke gemeente kreeg van het rijk een jaarlijkse toelage om de kosten (personeel en materieel) te financieren. Het bedrag werd samengesteld op basis van het aantal personeelsleden van het korps. De vergoeding werd afgestemd op het salaris van een hoofdagent die op de hoogste trede van zijn salarisschaal stond. Dus op het maximum wat hij in die rang kon bereiken. Vond de betreffende gemeente dit niet voldoende dan konden ze de rijkstoelage verhogen uit eigen middelen. Elk jaar werd de politiebegroting, die door de korpsleiding werd gemaakt, door de raad vastgesteld. In tegenstelling tot gemeenten die het met Rijkspolitie of vóór 1945 met de Koninklijke Marechaussee moesten doen, bood dit dus voordelen. Niet alleen op financieel gebied maar ook op de afstemming met betrekking tot de wensen van de bevolking en het bestuur. Bovendien bestond er een sterke band tussen de politie en de bevolking. De kennis die de politieman / vrouw van de inwoners had was groot. In veel gevallen kende hij/zij de familiebanden van de gezinnen.

Tot de jaren '70 ging het er in Naarden redelijk gemoedelijk aan toe. Vanaf die tijd nam de criminaliteit toe en op dat gebied bestonden er geen gemeentegrenzen meer. Bovendien kreeg het korps te maken met problemen als Rote Armee Fraktion, Palestijns terrorisme en Zuid-Molukkers die in opstand kwamen en de beveiliging van enkele prominenten binnen de gemeente zoals o.a. de Minister van Justitie Job de Ruiter en de Staatssecretaris van Sociale Zaken Lou de Graaf en nog enkele Naardense VIP's, die we hier niet bij naam en toenaam willen noemen.

 

Over de burgemeesters in de tijd waarover we spreken heeft het korps niets te klagen gehad. Ze toonden evenals de korpschefs grote betrokkenheid met hun politiekorps en steunden het loyaal.
Uit documentatie is gebleken dat er voor het eerst sprake was van politie te Naarden in 1814.
Het gehele politiekorps bestond toen uit 1 veldwachter.Hij oefende deze functie 25 jaar lang uit (1878 - 1903) en werd vanwege zijn kleine gestalte "klein duimpje" genoemd. Van 1903 tot 1911 waren er een chef veldwachter en een veldwachter. In 1911 kwam er een derde veldwachter bij. Het jaarsalaris bedroeg toen Fl. 550,- per jaar.
In 1935 werd het korps uitgebreid en bestond uit 7 man onder leiding van een inspecteur.
In 1943 bestond er geen gemeentelijk politiekorps meer, maar was het de Staatspolitie geworden. De samenstelling veranderde niet, alleen op straat was het zichtbaar, omdat de politie in een nieuw uniform liep. In 1945 werd alles weer in ere hersteld.
In 1950 bestond het korps uit 19 personen onder leiding van een inspecteur-korpschef.
In het begin van de zestiger jaren bestond het korps uit 22 man, waarvan er op dit moment (2018) nog 3 in leven zijn.
Er was een inspecteur-korpschef, 1 adjudant, 3 brigadiers, 2 mensen op de administratie en de overigen waren (hoofd)agenten in de vol-continuedienst. De recherche bestond uit een brigadier en een hoofdagent. Deze waren tevens belast met werkzaamheden t.b.v. de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD).
Ieder gemeentelijk politiekorps had 1 of meerdere medewerkers die behoorden tot de zgn. buitenpost van de BVD: de Politieke Inlichtingendienst.
Zij hadden daartoe een opleiding gevolgd bij de BVD in 's-Gravenhage en verrichten tevens werkzaamheden t.b.v. de Inlichtingendienst Buitenland en de Militaire Inlichtingendiensten.
Deze werkzaamheden vielen d.t.v. de korpschef rechtstreeks onder verantwoordelijkheid van de Minister van Binnenlandse Zaken.
Later werd de PID, binnen het korps ook wel "sectie stiekem" genoemd, ondergebracht bij de medewerker vreemdelingendienst. De medewerker van de vreemdelingendienst regelde de verblijfsvergunningen, de gezinshereniging, de opneming van buitenlandse pleegkinderen. Ook werden door hem de verlenging van de visa geregeld e.e.a. door tussenkomst van de Visadienst in 's-Gravenhage. Regelmatig werden er controles gehouden in de fabrieken en pensions. Ongewenste vreemdelingen konden voor onbepaalde tijd in bewaring worden gesteld in afwachting van hun uitzetting.
Er werden ook rapportages gemaakt i.v.m. aanvragen Koninklijke Onderscheidingen, gratieverzoeken en naamsveranderingen. Er was tevens een goede samenwerking met de Raad voor de Kinderbescherming.

De personeelsleden waren een afspiegeling van de Naardense gemeenschap.
Er waren 7 protestanten, 7 rooms-katholieken en 8 zonder religie.
Iedereen was lid van de bond, d.w.z. 7 van de Bond van Christelijke Politieambtenaren in Nederland, 6 van de Rooms-Katholieke Politiebond "St. Michael", 7 van de Nederlandse Politiebond, 1 van de Bond voor Hogere Politieambtenaren en de administrateur was lid van de ARKA.
Iedereen respecteerde elkaar voor de verschillende geloofsovertuigingen en dit leidde nimmer tot problemen en op vrijdag werden er geen croquetten gegeten, maar een visje.
Wie op zondag naar de kerk wilde werd daartoe in de gelegenheid gesteld en wie op zondag niet voor toezicht bij voetbalwedstrijden wilde worden ingezet kon iets anders gaan doen.
Overigens werden op zondag conform het Ambtenarenreglement de hoogst noodzakelijke werkzaamheden verricht.
In de loop der jaren zou dit allemaal veranderen en de secularisatie zou ook het korps binnensluipen.

De diensten werden als volgt gedraaid:

2 nachtdiensten van 23.00 tot 07.00 uur
1 korte nachtdienst van 19.00 tot 03.00 uur
1 middagdienst van 13.00 tot 23.00 uur (met 1 uur pauze)
1 ochtenddienst van 07.00 tot 18.00 uur (met 1 uur pauze)
1 vrije dag.
De zondag dagdienst bedroeg 9 uren.
Om het weekend was men vrij en de dagdienst in het weekend was van 07.00 tot 19.00 uur. (met 1 uur pauze)

Als je dan tegen zeven uur 's avonds nog tegen een aanrijding aanliep kon het gebeuren dat er nog een paar uurtjes bijkwamen. De nachtdiensten waren van 19.00 tot 07.00 uur. Als je een vrij weekend had en niets had te doen dan zei je dat tegen de mensen die moesten werken. Met andere woorden, je mag me altijd bellen. Het werk moest tenslotte met weinig personeel worden opgeknapt.
In de zeventiger jaren werden de diensten minder zwaar en duurden niet langer dan 8 uur. Er werden echter wel veel overuren gedraaid. In de vakantieperiode ving men elkaars diensten op en kon het gebeuren dat je 4 of 5 weekenden achter elkaar dienst deed. Ook voor de rechercheurs was dit een zware periode en zij waren tijdens die periode nauwelijks vrij.
In de loop van de zestiger jaren werd het korps uitgebreid tot 28 man, dit op grond van inwoneraantal. Later kwam daar nog de factor werkdruk bij en van lieverlee werd het korps steeds groter en eindigde uiteindelijk in 1994 met 45 medewerkers.

We willen voor U in dit artikel een algemeen beeld schetsen, overigens in verband met de privacy zonder namen te noemen, hoe het er in die jaren aan toe ging.
Over het algemeen ging het er in de zestiger jaren gemoedelijk aan toe. Er werd hard gewerkt en het contact met de bevolking was goed en soms (te) amicaal.
De diender stond in ieder geval in tegenstelling tot nu dicht bij de mensen zonder hierbij de huidige wijkagenten te kort te willen doen.
De Naardense politieman (executieve vrouwen waren er nog niet) had een grote plaatselijke bekendheid en kende veel mensen. De criminaliteit was in die tijd nog niet zo hoog. Dit zou later wel anders worden.
Het korps werd wel steeds meer geconfronteerd met verkeersongevallen door toename van het wagenpark en tenslotte liep de "oude" rijksweg door Naarden. In totaal liep er 19 kilometer rijksweg door Naarden en er waren enkele gevaarlijke kruispunten, die dan ook al spoedig tijdens de spitsuren handmatig werden bediend met verkeerslichten.
Ook was er de bekende schoolpost bij de Godenlindeschool, alwaar de kinderen 4 maal per dag werden overgezet.
Regelmatig deden zich dodelijke verkeersongevallen voor zowel op de rijksweg als wel op een van de onbewaakte overgangen van de spoorlijn Naarden-Bussum - Weesp.

Het grondgebied van Naarden was groot en liep vanaf de later gebouwde Hollandsche Brug tot de dorpskern van Huizen. Door de toenemende drukte nabij de speeltuin Oud-Valkeveen was ook daar met name in de weekenden regelmatig politietoezicht vereist. In de nachtelijke uren vanaf begin december tot de kerstdagen werd er veel jachtwetcontrole gehouden om stroperij tegen te gaan.
Naarden kende ook een woonwagenkamp aan de Amsterdamsestraatweg. De sfeer was daar gemoedelijk. Grote problemen deden zich niet voor. In principe onderhield 1 hoofdagent het contact met de bewoners.
Later werd dit kamp verplaatst naar de Loswal Abri. Eenmaal moest grootschalig met de M.E. worden opgetreden in verband met de verwijdering van enkele woonwagens.

Als politieman had je altijd wel onderzoeken met de daaraan verbonden schriftelijke werkzaamheden. Je bakje was nooit leeg. Processen-verbaal, formulieren en rapporten en dat alles op een eenvoudige typemachine met tussen de papieren het nodige carbon.
Alles wat er gebeurde werd handmatig opgeschreven in het dagrapport, zijnde een dik boek. In de nachtdienst werd het overgetypt en ging de volgende dag naar de Burgemeester.
Later werd er voor de Burgemeester alleen een weekoverzicht gemaakt met de belangrijkste gebeurtenissen.
Pas eind jaren 80 kwamen er computers binnen het korps en deed de automatisering z'n intrede.
Je kunt je afvragen hoe het korps het voor elkaar kreeg om met dat geringe aantal mensen een 24-uurs dienst te draaien.
In de eerste plaats bestond er nog geen Arbeidstijdenwet, die zoals nu de nodige beperkingen oplegt.
In de nachtdienst werd dan ook gedraaid met de minimale sterkte. Door de weeks deed je praktisch alle dagen dienst en je was om het weekend vrij.
De overigen draaiden dan regelmatig dubbele diensten.
Al met al was er i.v.m. ziekte en andere zaken weinig of geen speelruimte. Het bureau kon nooit gesloten worden i.v.m. de brandmeldingen die alleen hier binnenkwamen en het niet alleen laten van de archieven en dienstwapens en eventuele arrestanten.
Dat betekende ook dat bij evenementen als de St. Nicolaas intocht, de Mattheus Passion, braderie en andere grote evenementen praktisch het hele korps in dienst was aangevuld met leden van de reserve-politie.
Het maakte niet uit of je privé wat had, het in je vrije weekend plaats vond of dat je vrouw of kind jarig was. Je deed dienst.

Na 03.00 uur bestond de bezetting uit 2 man. Gebeurde er iets dan stond je er alleen voor.
Bij ernstige feiten dan was er geen andere oplossing dan een collega uit zijn bed bellen. Vaak waren dat diegenen die het dichtst bij het bureau woonden, of degene die om 03.00 naar huis was gegaan.
Samenwerking met naburige politiekorpsen bestond nagenoeg niet. Iedereen bleef op zijn eigen terrein. Over het algemeen kon het korps beter samenwerken met Huizen dan met Bussum. Bij feestjes (korpsreis en kerst) deden politiemensen uit Huizen in Naarden dienst.
Vraag niet hoe dat komt, misschien was het wel oud zeer. Het vreemde is dat we op het gebied van het vakbondswerk wel samen met Bussum een afdeling vormde. Aan vrijwel alle demonstraties in 's-Gravenhage, ter verbetering van de maatschappelijke positie van de politieman/vrouw werd met een flinke delegatie deelgenomen.
Vakbondswerk is nog steeds van groot belang want keer op keer toont de overheid dat zij als werkgever niet altijd even betrouwbaar is.
Als op dit moment een hoofdagent ten gevolge van een dienstongeval wordt afgekeurd verminderd zijn inkomen van 38.000 euro naar 3.800 euro per jaar!

Over het algemeen waren de nachten in Naarden m.u.v. het weekend rustig en gingen de mannen na 03.00 uur in rust. 1 man mocht van de korpschef slapen.
Door de zware diensten was een uiltje knappen ook wel noodzakelijk, want het kon wel eens gebeuren dat je na een nachtdienst om 14.00 uur weer in dienst mocht komen.
Over die nachtdiensten zijn leuke anekdoten te vertellen.
Een van de schrijvers van dit artikel deed zijn eerste nachtdienst nadat hij van de politieschool was gekomen en leefde nog in de veronderstelling dat Vigilat ut Quiescant, hetgeen betekent "Ik Wake Opdat U Slaapt" ook de werkelijkheid was.
Deze tekst stond op de korpsbrevet dat op elke uniformjas zichtbaar was.
Groot was zijn verbazing toen zijn niet meer zo jonge collega om 03.00 uur op de tafel van de wacht een bed begon op te maken van spullen uit het cellenblok, zich op zijn lange ondergoed na geheel ontkleedde en alleen nog vroeg om het licht uit te doen voordat hij onder de wol kroop.
Hij voegde er nog aan toe om niet op de typemachine aan het werk te gaan omdat hem dat uit de slaap hield en hij zou het op prijs stellen om tegen 06.00 uur een kopje geserveerd te krijgen.
Soms gebeurde het dat ook de tweede man in slaap sukkelde.
Ondanks dat bestond er een groot verantwoordelijkheidsgevoel en betrokkenheid voor het gebeuren in de gemeente.

In 1963 bracht H.M. Koningin Juliana een bezoek aan het politiebureau.
Ter gelegenheid hiervan werd het nieuwe uniform gedragen.
In die tijd bestond de kreet meer blauw op straat niet want ondanks dat er betrekkelijk weinig agenten waren was er voldoende blauw op straat en werd er op iedere afroep van de burgers gereageerd
In 1966 kwam een collega te overlijden. Hij werd met korpseer begraven. Alle leden van het korps stonden voor het bureau opgesteld en de begrafenisauto werd, terwijl de Vesting voor het verkeer werd afgesloten, te voet begeleid naar de R.K. begraafplaats aan de Amersfoortsestraatweg.
Ook bij andere begrafenissen of crematies, in totaal 7 medewerkers, die tijdens hun dienstverband stierven was vrijwel iedereen aanwezig. Het korps kende meer dieptepunten.
Tijdens de afgelopen 40 jaar werden 2 medewerkers om gezondheidsredenen afgekeurd. Dit waren persoonlijke drama's.
Er werd regelmatig op rustige momenten een kaartje gelegd of een partijtje schaak gespeeld.
Je deed je werk in die tijd met ook aandacht voor zaken waar tegenwoordig totaal niet meer aan gedacht zou worden.
Om een voorbeeld te noemen. Als bij een ongeval hoe en waar dan ook een dode viel te betreuren werd op grond van religie altijd geestelijke bijstand verleend en met de politieauto de pastoor of dominee van huis gehaald terwijl het onderzoek nog gaande was.
Was het slachtoffer een Naardens ingezetene dan ontstond er direct een grote saamhorigheid via de kerk.
Een treffend voorbeeld hiervan was de woningbrand op de Keverdijk begin jaren 70 waarbij dodelijke slachtoffers te betreuren waren. Mede door inbreng van de toenmalige pastoor werd het medeleven in de wijk groot en werd er tijdens de Heilige missen in het kerkje op de Keverdijk veel aandacht geschonken aan dit vreselijk gebeuren. 

Ieder jaar werd er een korpsreis georganiseerd. Toen later iedereen wel over een eigen auto beschikte werd dit evenement afgeschaft. Ook bezocht Sinterklaas ieder jaar de kinderen van de collega's. De Sint bracht dan het grote dikke dagrapport mee. Later, nadat het Poppenkastteam was opgericht werd er ook nog een toneelstuk opgevoerd.

In die tijd was het normaal dat als het korps 's morgens om 10.00 uur aan de koffie zat in de wacht en de korpschef kwam binnen dat iedereen als op commando opstond.
Bij de jongeren ontstond hiertegen van lieverlee weerstand.
De gemeentepolitie was niet zoals de rijkspolitie militaristisch ingesteld.
Veel jonge collega's hadden ook geen militaire achtergrond, dit in tegenstelling tot de ouderen die veelal vanuit de Koninklijke Marechaussee waren overgekomen. Een van die jongere collega's merkte eens fijntjes op, nadat hij zijn nieuwe woning had betrokken, dat hij in zijn voortuin graag een wachthokje zag staan, met daarin zijn eigen marechaussee. Niemand van de ouderen kon daar om lachen.
Begin jaren zestig ontstond een vorm van korpsoverleg.
Eens per 2 maanden kwam het korps bij elkaar onder voorzitterschap van de korpschef en werd er over allerlei zaken gesproken. Men mocht al zijn grieven hier kwijt wat niet wil zeggen dat iedereen dat ook deed. Van de vergadering werd een verslag gemaakt.

Vervolgens ontstonden overlegstructuren die we tegenwoordig de eerste vorm van inspraak en werkoverleg zouden noemen.
Naar onze mening ontstond hier het zgn. Poldermodel.
Later kwam de gekozen dienstcommissie en weer later de ondernemingsraad.
Het kon er wel eens heet aan toe gaan.
Daar stond tegenover dat men tijdens het werk maar ook privé weer amicaal met elkaar om ging. De sfeer bleef prima.
Later kwam er ook een sollicitatiecommissie en voor het benoemen van een nieuwe korpschef een vertrouwenscommissie.
Aan het eind van de jaren 80 werd een commissie samengesteld met het doel het korps door te lichten teneinde een beter product op tafel te krijgen. Hieruit resulteerde plannen tot de bouw van een nieuw bureau. Er werd een bouwcommissie benoemd en men ging aan de slag met als resultaat het prachtige bureau aan de Amersfoortsestraatweg.

De verhouding tussen leidinggevende brigadiers en agenten lag volstrekt helder.
Je deed wat de brigadier opdroeg. Het vreemde was dat die verhouding alleen overdag van kracht was want om 17.00 uur ging de brigadier naar huis en deed ook geen nachtdienst. Hun aantal was te klein om volcontinu in dienstverband mee te kunnen draaien. De diensten werden gedraaid aan de hand van de uitgemaakte dienstlijst. Van uur tot uur was uitgemaakt wat een ieder ging doen.
Ze hadden samen met de adjudant wel om beurten als hulpofficier van justitie voorgeleidingspiket. ( het schouwen van aangehouden verdachten en beslissen over hun insluiting ).
Dus bij ontbreken van brigadier of adjudant had de oudste hoofdagent in dienstjaren de verantwoordelijkheid.

In het dagelijkse werk kende het korps een weinig planmatige aanpak van werkzaamheden.
Men was druk met het werk dat op hen afkwam en dat was meer dan genoeg.
De individuele politieman liep tegen een strafbaar feit aan en handelde dat alleen of mijn zijn maat af.
Dat betrof eenvoudige overtredingen tot en met een dodelijk verkeersongeval.
Een dergelijk onderzoek vergde in korte tijd veel werk omdat justitie er nu eenmaal op stond het dossier binnen een dag op het parket te hebben.
Je ging dus door tot in de kleine uurtjes.
Als men was geconfronteerd met de dood en zeker dat van een kind kon men aan het bureau niet uithuilen.
Er was nog geen Bedrijfs Opvang Team (B.O.T.)
Je moest niet zeuren anders had je maar een ander vak moeten kiezen.
We kenden m.u.v. de recherche, de vreemdelingendienst en de P.I.D. geen specialistische onderdelen. Het voordeel was wel dat iedereen zeer allround was en vrijwel elke werkzaamheid aankon.
De processen-verbaal vanuit Naarden werden door justitie als uitstekend beoordeeld. Zelden werd een proces-verbaal teruggezonden.
De recherche deed misdrijfonderzoeken. Voor b.v. elke inbraak werd de rechercheur die piket had uit zijn bed gebeld.
Naarden kende in de loop van de jaren vele grote branden. Te denken valt aan de branden in het Arsenaal, de Manege Oud-Valkeveen, de deurenfabriek op de plaats waar nu het J.P. Theijssepark is, de Pokon-fabriek aan de Thierensweg, die het journaal haalde en de grote woningbranden in de Cattenhagestraat, Marktstraat en een garagebedrijf aan de Pastoorstraat.
Ook op het Industrieterrein hebben zich met een zekere regelmaat grote en kleine branden voorgedaan.
De politie die altijd als eerste ter plaatse kwam, immers de brandmelding kwam binnen op het politiebureau, onderzocht voor zover mogelijk of er nog mensen of dieren in het pand aanwezig waren.
Tevens werd de straat vrij gemaakt t.b.v. de brandweer en het publiek moest op een veilige afstand worden gehouden.
Door de recherche werd altijd een onderzoek ingesteld naar de oorzaak en hiervan werd dan proces-verbaal opgemaakt. Gekeken werd met name ook wanneer de brandverzekering was afgesloten en of deze niet juist een dag van tevoren was verhoogd. In een geval stond een woning op drie plaatsen in brand en de bewoners kwamen bij de aankomst van de politie met gepakte koffers naar buiten!
Het was altijd weer een hele toer voor de korpschef en naaste medewerkers om ieder jaar de begroting op papier te krijgen. Met hun kennis van zaken slaagden zij daar toch ieder jaar weer in en konden deze met verve verdedigen bij gemeenteraad of raadscommissies.
In Naarden kon veel, het was ook een rijke gemeente en een sprekend voorbeeld was de aanschaf van communicatieapparatuur, waarbij alle binnenkomende gesprekken konden worden opgenomen. Deze zeer dure apparatuur ter waarde van meer dan Fl. 100.000,- was in de raad een hamerstuk. Wat wel vreemd was dat in die vergadering een half uur werd gepraat of het zinvol was om een elektrische typemachine aan de schaffen voor de typiste/telefoniste.

We leefden inmiddels toen wel in een spannende tijd met de Zuid-Molukse gijzelingen, immers binnen de gemeente woonde de Minister van Justitie, die in die tijd permanente bewaking had. Dit vereiste veel energie van het korps. Het is een keer voor gekomen dat met geweren bewapende agenten uit het dakraam de omgeving in de gaten hielden. Later lagen met geweren bewapende agenten achter zandzakken in de garage. We kregen ook te maken met opkomend terrorisme zoals de Rote Armee Fraktion, Palestijns terrorisme e.d. In Naarden vonden dan ook enkele aanslagen plaats met brandbommen, waarin we om privacy-redenen niet nader kunnen ingaan.
In M.E. verband werd regelmatig bijstand verleend aan Amsterdam i.v.m. ontruimingen en de daaruit voortvloeiende krakersrellen.
De zgn. "koude oorlog" woedde in alle hevigheid en Naarden met o.a. zijn bezoeken van Tsjechen aan Comenius pikte hier een graantje van mee. Het "botste" nogal eens tussen de, na de door de Sovjet-Unie neergeslagen Praagse Lente, gevluchte Tsjechen en de officiële diplomatieke vertegenwoordiging met bijbehorend gezelschap van enkele leden van de geheime dienst (STB) van Tsjecho-Slowakije. Er werd altijd een spiedend oogje in het zeil gehouden en een enkele keer moest tijdens een kranslegging door de BVD en PID worden ingegrepen. Dit voorval haalde het journaal.

Ook bij de diverse bezoeken van leden van het Koninklijk Huis was de politie present, alsmede bezoeken van de Dalai Lama, de heer Begin uit Israël en niet te vergeten het gedenkwaardige bezoek van President Havel uit het inmiddels vrije Tsjecho-Slowakije. Ook Alexander Dubcek vereerde Naarden eens met een bezoek.

Nog een paar feiten om aan te geven hoeveel er in 40 jaar bij de politie is veranderd.
Met de kerst had de Naardense politie een kerstfeest. Daartoe was een kerstcommissie in het leven geroepen. Het was een feest dat in uitvoering en opzet nogal wat geld kostte.
De korpsleden spaarden hiervoor, maar giften uit de Naardense gemeenschap werden dankbaar "aangenomen".
Ook de Naardense middenstand droeg een steentje bij.
Het stukje wild dat bij het kerstpakket zat werd geschoten door een paar collega's van de Rijkspolitie in het net drooggevallen Flevoland.
De kreet integriteit van tegenwoordig stond nog niet zo helder op het netvlies.
Toen Naarden het feest 300 jaar Oranjevesting vierde, keek niemand er van op dat de alom aanwezige Hermandad (in uniform en in diensttijd) op de terrasjes rustig een biertje zat te drinken en er was nog even over nagedacht om ze allemaal in de uniformen van 1773 te kleden en ze daar dienst in te laten doen.
Dus geen pistool en gummilat maar een sabel.

Op straat kon er nog afgerekend worden met betaalde transacties. U weet wel die bonnen van Fl. 5,-, Fl.10,- en Fl. 15,-.
Elke maand moest dat geld worden afgedragen bij de administratie en waren het "drama-tjes" om de centen bij elkaar te krijgen. Er werd nogal eens bank van lening gespeeld bij zichzelf.  Dus het kon voor komen dat een diender de trap kwam afstormen om even wat een collega te lenen. Hij kon dan zijn tekorten aanvullen. Die plukte dan ook wel weer eens in zijn bakje met transactiegeld.
Het was wel zo dat alles uiteindelijk toch goed werd afgerekend.

Het korps had de beschikking over twee auto's, een voor de uniformdienst met zwaailicht en een voor de recherche, dus zonder zwaailicht. Er lag wel een kleefzwaailicht in deze auto. Ze waren allebei van hetzelfde merk en type en wit van kleur. Verder zat er niets op of aan. Ook stond er in de garage nog een oude zwarte BMW-motor met leren tassen en kniekap tegen de regen.
Met mooi weer werd hiermee gereden dus die kniekap was eigenlijk overbodig.
Om de zoveel jaar werd een politieauto ingeruild voor een nieuwe.
Dit was een heel ritueel.
Ieder korpslid had natuurlijk zijn voorkeur voor merk en type en hij had altijd een te lage topsnelheid.
Als dan uiteindelijk de korpschef had beslist dan ging het voorstel naar de gemeenteraad die er dan ook nog eens haar licht over liet schijnen en uiteindelijk kwam het geld er.

Als de auto dan door een zeer ervaren korpslid was ingereden wat betekende dat hij voor niets naar verre familieleden kon rijden, werd het nieuwe bezit vol trots getoond aan de Burgemeester.
Deze vond het dan altijd een "zeer" mooie auto.

Het verhaal kleding speelde ook een belangrijke rol. Als je door de korpschef werd betrapt, ergens in de gemeente buiten zonder pet, dan was het mis. Het kon dan voor komen dat het volgende uurtje fietssurveillance altijd op een tijdstip viel dat het regende.
In oktober werden pantalon en lage schoenen gewisseld voor rijbroek en laarzen en in april volgde het omgekeerde.
Als een politieman werd gepromoveerd tot rechercheur werd er van hem verwacht dat het uniform werd ingeruild voor kostuum met stropdas.
Het regenjasje was voor de wat oude leden vanzelfsprekend. Dus de informele kleding van tegenwoordig was niet toegestaan.
De criminaliteit nam in de loop der jaren steeds meer toe en ook moord- en doodslag  deed in Naarden zijn intrede. De patholoog-anatoom Dr. Zeldenrust werd een bekende. Bij de sectie moest altijd een politieman aanwezig zijn, die dan in zijn opdracht aantekeningen moest maken. Van de sectie werd t.b.v. het Openbaar Ministerie een foto-reportage gemaakt.
Eén moord werd ondanks dat er een T.E.D. (Team Ernstige Delicten)was opgezet tot op heden niet opgelost. Het feit is echter nog niet verjaard........
Van een man, die door misdrijf om het leven was gebracht, kon de identiteit nooit worden vastgesteld.
Deze man van niet Europese afkomst werd in alle stilte begraven op de Algemene Begraafplaats aan de Valkeveenselaan. Triest om zo aan je eind te komen.
In de jaren tachtig bestond de afdeling recherche uit 7 man, waaronder een volledig gespecialiseerde technisch rechercheur. De rechercheurs hadden allemaal een opleiding gevolgd aan de rechercheschool.

Van grote korpsuitbreidingen kon je toen nog niet spreken, dus als er een nieuw korpslid bijkwam dan was dat vaak ter vervanging als er iemand met pensioen ging of in een enkel geval als iemand wegging door sollicitatie of bij overlijden. Er was vrijwel geen verloop omdat iedereen wel tevreden was. Het korps bestond uit een aantal oudere leden die in de tweede wereldoorlog waren gekomen en een clubje die na de oorlog was ingetreden.

Verder was er in de jaren 50 en 60 gestage vervanging geweest van personeelsleden die na de oorlog tijdelijk of kort in het korps hadden gediend. De wat oudere club bestond voor een niet onaanzienlijk aantal uit voormalige militairen en leden van de Koninklijke Marechaussee.
Een categorie mensen die zeer plichtsgetrouw en gehoorzaam waren aan het boven hen gestelde gezag.
Een nieuw korpslid dat de politieschool had doorlopen diende zich te schikken in bestaande gewoonten en diende de sfeer te respecteren.
Of je nu 20 jaar of een 30 jaar oude vader van twee kinderen was speelde geen enkele rol.
Je bleef enige tijd de "jongste bediende".
Een treffend voorbeeld was het eerder besproken opstaan voor de korpschef bij binnenkomst.
De opmerking dat je dat thuis voor je vader of moeder ook niet deed was niet van belang.
De oudere garde had dus de wind er goed onder en de oudste hoofdagent had meer macht dan een tegenwoordige groepschef met een goede managementopleiding.

De instructies en dienstorders liepen via de gebruikelijke kanalen en daar werd niet vanaf geweken.
Elk jaar werd een korpslid beoordeeld op functioneren en als het een slechte beoordeling was dan probeerde je dat te verbeteren.
Hierbij moet wel vermeld worden dat de nadruk bij een dergelijke beoordeling hoewel het wel een rol speelde, niet lag aan het aantal uitgeschreven processen-verbaal. Het kon zo zijn dat je een paar dagen daarna op het bewuste kerstfeest met je beoordelaar een borrel zat te drinken.
Aan de tegenwoordige bezwaar-of beroepsgang dacht niemand.

De verhoudingen binnen het korps die in de naoorlogse dagen helder en duidelijk verankerd lagen in de geldende hiërarchie begonnen op het einde van de zestiger jaren scheurtjes te vertonen.
Niet dat de onderlinge verhoudingen verstoord werden, maar de maatschappelijke veranderingen gingen ook aan het kleine korps niet voorbij.
Een aantal jongere korpsleden begon zich toch iets te roeren. Ze waren over het algemeen goed opgeleid en zeer mondig en hadden op een enkele uitzondering na geen militaire achtergrond.
Het was helder dat het type politieman - krachtig postuur, goed handschrift en het hebben van lagere beroepsopleiding- af zou gaan nemen.
De oudere garde begon het moeilijker te krijgen.
Dat begon zich tien jaar daarna nog duidelijker te manifesteren.
In de loop van de zeventiger jaren werd het korps groter. De kleine korpsen mochten uitbreiden en de sterkte liep uiteindelijk op naar 45 personen.
Dat betekende dat er in de dienstuitvoering meer armslag kwam.
De roosters werden iets gemakkelijker. De bezetting werd echter wel hoger, de recherche en het aantal kaderleden werden uitgebreid.
De korpschef werd hoofdinspecteur (later titulair commissaris) en er kwamen twee adjudanten en drie brigadiers bij. Iedereen vaarde er dus wel bij.
Geweld werd er door onze politiemensen zelden gebruikt. Men probeerde altijd met praten de zaken op te lossen. Dit lukte niet altijd.
Tijdens de braderie in 1961 ontstond er een vechtpartij in een café aan de Marktstraat. Door een 8-tal agenten werd de zaak met de gummilat ontruimd en een van hen sloeg zo hard dat hij zijn pols brak. Gedurende enige weken mocht een adm. kracht zijn processen-verbaal uittypen.
Later in de tijd op een zondag namen een 20-tal Hells Angels bezit van een cafetaria aan de Cattenhagestraat. Een en ander dreigde volledig uit de hand te lopen. 1 agent en zeker niet de grootste ging alleen naar binnen en enkele minuten later vertrokken zij zonder dat er een klap was gevallen. Er stonden wel enkele collega's om de hoek van de straat om eventueel te hulp te schieten. De betreffende agent had tegen de Hells Angels gezegd dat als zij niet zouden vertrekken alle bruggen omhoog zouden gaan en ze de vesting niet konden verlaten.

Begin jaren 90 ging het nogal eens mis bij de Nardinc. Op een zaterdagnacht liep het uit de hand en de zaak moest worden ontruimd. Meerdere personen van buiten Naarden hadden zich in de Nardinc "genesteld". Een bezoeker dacht dat het bevel om zich te verwijderen niet voor hem gold en hij nam nog een biertje. Met een geweldige dreun werd hij van zijn barkruk geslagen en de volgende dag had hij niet alleen last van een kater.
Soms moest je hard zijn maar wel rechtvaardig.

De bevorderingen in Naarden is een verhaal op zich, maar het kwam er in het kort op neer dat iedereen mits hij de benodigde diploma's bezat op volgorde van dienstjaren aan de beurt was voor bevordering.
Er werd niet gekeken naar geschiktheid of zoals bij de Kon. Marechaussee en Rijkspolitie het meest geschikt.
Als je het politiediploma B had behaald en aan de beurt was dan werd je brigadier.
Ook al was je rechercheur en functioneerde je naar volle tevredenheid.
Was je de oudste brigadier in anciënniteit (dienstjaren) dan werd je adjudant.
De oudste adjudant was tevens waarnemend korpschef.
Dit systeem geschiedde overigens met volledige instemming van de dienstcommissie.
Tegenwoordig is dit ondenkbaar. Nu moet je solliciteren en buiten het diploma aan diverse eisen voldoen.
Het gevolg in het Naardense politiekorps was wel dat er nooit met ellebogen werd gewerkt, afgunst of verstoorde verhoudingen kwamen dus niet voor.
Het bleef werkbaar en gezellig en men had veel voor elkaar over in de dagelijkse dienstuitvoering en een leidinggevende met wat minder kwaliteiten niet men nooit uitglijden.
De korpsleden kwamen er samen wel uit. In menig Goois politiekorps werd vaak met afgunst naar Naarden gekeken.
Het korps bemoeide zich weinig met de toch langzaam ontstane samenwerkingsverbanden binnen het Gooi tenzij de korpsleiding er niet onderuit kon.
Later werd Naarden "een haard van verzet".
Vanuit Naarden werden de meest kritische vragen gesteld over de inbedding van de gemeentelijke korpsen in de aanstaande Regiopolitie.
Ook de eerste executieve vrouw deed haar intrede in het korps. Een aantal jaren later zouden er nog drie volgen.
De toestroom van jong personeel, soms drie per jaar, had wel gevolgen.
Door bevorderingen kregen de jongeren uit de jaren zestig leidinggevende posities.
Zij werden de brigadiers van de jaren 80. Dat waren er toen zeven. Daar stonden drie adjudanten en een korpschef tegenover.

Dat wil zeggen dat hier een soort generatieverschil in leiding geven was ontstaan die een tijd tot spanningen heeft geleid. Door hun aantal begonnen deze brigadiers in de nachtdienst mee te werken. Er werd een ploegensysteem ingevoerd dat tot gevolg had dat deze brigadiers dichter bij hun personeel stonden en op een informele wijze leiding gaven.
Op zich werd het korps daar niet slechter van. Vanuit het personeel kwamen veel meer initiatieven en de invoering van de ondernemingsraad completeerde dat.
Dat was wel even wennen voor de oudere korpsleiding.
Gezegd moet worden dat de sfeer onder het personeel erg goed bleef, maar iedereen raakte er van overtuigd dat de Naardense Politie de maatschappelijke veranderingen in snel tempo begon te volgen.
Ook in regionaal opzicht stapte Naarden in de rijdende trein. Geparticipeerd werd in de Mobiele Eenheid (ME). Aan vele optredens in den lande werd dus ook door Naardense (hoofd)agenten meegedaan. De recherche deed mee aan soms spectaculaire bovenregionale rechercheonderzoeken, waaronder een grote ontvoeringszaak. Ook was de Naardense politie nauw betrokken bij de Bijlmermeerramp. De beide motoren vielen nabij het eiland De Schelp in het randmeer en diverse onderdelen lagen door Naarden verspreid. De Naardense politie nam deel aan de onderzoeken in en om het randmeer. Zij verbaasden zich over de berichtgeving door de betrokken minister en pers. Ze wisten het naadje van de kous en de berichten weken daar nog wel eens vanaf. Gevolg was ook dat enkele collega's die betrokken waren geweest een medische keuring moesten ondergaan, omdat ze in hangaar 9 waren geweest en vliegtuigonderdelen hadden aangeraakt. Ook had een motor van het vliegtuig een paar dagen op de binnenplaats gelegen.
Naarden verleende inmiddels veel burenhulp in Bussum en het omgekeerde vond ook plaats. Denk maar eens aan de problemen bij de Nardinc.
Heel zachtjes aan begon het korps te beseffen dat de regionale en landelijke ontwikkelingen onmiskenbaar het einde van het korps aangaven.
Dat einde was in 1993.

DE PIJN WAS GROOT. Iedereen voelde dit. Iedereen voelde dat aan het "familieleven" een einde was gekomen. Dat gold zowel voor de ouderen als de jongeren.
Een korps, bestaande uit een groep mensen, dat zich verwand had gevoeld met elkaar.
Dienstbaar, dag en nacht klaar staan, eigen verantwoordelijkheid kennen en werkzaam in en voor een gemeenschap die je door en door kent Het bange vermoeden dat dit zou verdwijnen, wordt anno 2018 bevestigd door de (on)zichtbaarheid van de regiopolitie en nu landelijke politie.

De Naardense inwoner kreeg zelden een indruk hoe het er achter de deuren van het toenmalige bureau aan de Cattenhagestraat 16 aan toe ging.
Zijn of haar kennis werd opgebouwd uit " van horen zeggen" verhalen, datgene wat de pers schreef en wat hij zelf opdeed bij een contact met een van de korpsleden.

HET GEBOUW AAN DE CATTENHAGESTRAAT 16 WAS ALS VOLGT INGEDEELD:

Men kwam via de statige voordeur in de hal. Rechts was een loket met een belletje. Hierachter was de zgn. wacht gevestigd. Hier hadden de dienstdoende (hoofd)agenten hun werkplek. Daar stonden ook de telefoons, waaronder ook de telefoon waarop de brandmeldingen binnenkwamen.
De brandweer werd dan ook vanuit deze ruimte gealarmeerd. Bij het indrukken van een knop ging er bij alle brandweermensen een bel rinkelen en wel gedurende 1 minuut. Het was een oorverdovend lawaai.
Het was opmerkelijk hoe snel wij altijd weer de brandweerauto met toeters en bellen hoorden vertrekken.
In deze wacht bevond zich ook de mobilofoon, het enige verbindingsmiddel met de auto's. Portofoons bestonden er toen nog niet.
In de wacht die altijd bezet was werd gewerkt, gerust, gegeten, koffie gedronken en 's nachts geslapen.
Achter de wacht bevond zich een kamer voor de adjudant en de 2 brigadiers.
Zij gaven leiding aan het dienstdoende personeel tot 17.00 uur want dan gingen zij naar huis en was de oudste hoofdagent "de baas".
Later werd in deze kamer de meldtafel geïnstalleerd. Via deze meldtafel kwam er tevens een contact tot stand met korpsen die de zuidgrens van Noord-Holland vormden, dus van Laren tot Zandvoort. Dit was van belang wanneer er ergens een ernstig misdrijf was gepleegd en met name de rijksweg(en) moesten worden afgegrendeld.
Vanaf de meldtafel kon ook gesproken worden met de ingesloten arrestanten. Ook konden van hieruit de toiletten worden doorgespoeld.
Het loket werd verplaatst naar de publiekstoegang tot de meldkamer. De ruimte met de meldtafel werd afgeschermd met kogelwerend glas.
Via de meldkamer kwam je weer in de gang met rechts een w.c. Later werd deze ruimte omgebouwd tot telexkamertje. Via deze gang kon je in de kelder komen. Daar bevonden zich de gevonden voorwerpen e.d. In deze kelder werd later een enorme kast gebouwd met bandrecorders, die alle communicatieverkeer vastlegde.
Iedereen kwam in uniform in dienst dus men hoefde zich niet om te kleden. 

De gang doorlopend liep je tegen een traliehek, waarachter het cellenhuis, bestaande uit een dagverblijf, 1 dronkemanscel en 2 gewone cellen, alsmede een ruimte om te luchten. Er was tevens een doucheruimte.
Aldaar bevond zich ook een kast met lakens, dekens en scheergerei e.d. ten behoeve van de arrestanten.
In een lade werden de persoonlijke bezittingen van de arrestanten bewaard.
De maaltijden voor de arrestanten kwamen vanuit een cafetaria en waren altijd goed verzorgd.
Overigens kregen de arrestanten altijd een goede behandeling. Zeker de arrestanten die nog door de recherche moesten worden verhoord werden netjes op tijd voorzien van rookwaar e.d.
Regelmatig werden ook mensen ingesloten die een acuut gevaar voor zichzelf en/of anderen opleverden.
Een psychiater van het RIAG bepaalde of deze patienten met dwangverpleging moesten worden opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. In dat geval gaf de Burgemeester een zgn. IBS (inbewaringstelling) ingevolge de Krankzinnigenwet af.
Voor het cellenhuis was rechts de zgn. fotokamer, die zeker voor die tijd modern was uitgerust. Men bezat een eigen doka en andere dactyloscopische hulpmiddelen. Verdachten die zich hadden schuldig gemaakt aan een misdrijf waarop een gevangenisstraf van 4 jaar of meer was gesteld werden gefotografeerd. Hier werden ook de vingerafdrukken afgenomen.
Deze fotokamer grensde aan het dagverbijf en in de muur was een zgn. confrontatiespiegel aangebracht.
Getuigen konden dan een verdachte herkennen zonder zelf gezien te worden.

Deze confrontatiespiegel was eens de redding voor 4 politiemensen, die zich per ongeluk hadden ingesloten.
Op een keer werd een arrestant naar het bureau overgebracht. De man verzette zich hevig tegen zijn insluiting en twee nog aanwezige agenten, die zich in de wacht bevonden schoten te hulp en met vereende kracht lukte het uiteindelijk de man in een cel op te sluiten. Inmiddels was het traliehek dicht gevallen.
Wie had de sleutel? Niemand....want die hing nog in de kast in de wacht.
Er brak lichte paniek uit want de mannen zaten opgesloten in het cellenhuis. Men beschikte nog niet over een mobieltje dus er zat niets anders op dan luidkeels om hulp te roepen.
De buurman van no. 14 kwam op het geroep af en meldde zich aan het bureau maar kreeg op z'n belletje bij de wacht geen gehoor.... dus die ging weer naar huis.
Uiteindelijk werd de confrontatiespiegel vernield en kon een van hen in de fotokamer komen en de dichtstbijzijnde collega bellen.
Sindsdien werd het verplicht om het traliehek altijd dicht te hebben, zodat je altijd eerst de sleutel moest pakken om in het cellenhuis te komen.

Halverwege de trap waren nog 2 toiletten.
In de kamer links was de administratie gevestigd. Alles wat zich zoal in het politiegebeuren afspeelde werd hier geadministreerd en in de tijdelijke archieven bewaard. De maandrapporten voor de Procureur-Generaal, de Commissaris der Koningin en de Burgemeester werden hier uitgetypt.
Ook de jachtaktes en wagenvergunningen werden hier uitgeschreven.
Alle aanvragen tot het verkrijgen van een paspoort op het gemeentehuis werden hier gecontroleerd of de aanvragers zich de laatste 5 jaar hadden schuldig gemaakt aan een misdrijf.
Van iedereen die zich dus in Naarden had schuldig gemaakt aan een misdrijf werd dus een registratie bijgehouden en uiteraard ook van Naardens die zich buiten Naarden hadden schuldig gemaakt aan enig misdrijf.
Aanvankelijk deed de administrateur ook de vreemdelingendienst, maar bij zijn overlijden in 1970 en door de toename van vreemdelingen werd besloten een aparte vreemdelingendienst op te zetten.
Deze medewerker kreeg toen ook de Politieke Inlichtingendienst (BVD) in zijn pakket.
In Naarden bevonden zich op een goed moment ruim 400 vreemdelingen met zo'n 35 nationaliteiten.

In de kamer verder naar links en uitkijkend op de Cattenhagestraat was de korpschef gehuisvest. Dit was een ruime kamer met tevens een zitje. Later werd aan het eind van de gang nog een kamertje gemaakt t.b.v. de adjudant, wnd. korpschef. De toenmalige korpschef vond dat handig. Na verloop van tijd werd in dit kamertje de telefooncentrale gevestigd en deze werd bemand door een telefoniste. Toen de automatisering zijn intrede deed werd hier de computer van het Bekeuringen Afhandelingen Systeem (BAS) ondergebracht.

Vanuit de trap naar rechts waren twee recherchekamers gevestigd. Hier werden ook de verdachten verhoord en U zult begrijpen: "Er werd wel eens met enige stemverheffing gesproken". Het gebruiken van lichamelijk geweld tijdens de verhoren was uit den boze en kwam dan ook niet voor.
Er was nog een trap naar boven met rechts de archiefruimte waar alle processen-verbaal, rapporten e.d. waren bewaard.
Naar links was een flinke ruimte alwaar de vergaderingen werden gehouden en b.v. het kerstfeest werd gevierd en waar ook de afscheidsrecepties werden gehouden. Later vonden deze altijd plaats in de Burgerzaal van het Stadhuis.
Toen er vrouwen in het korps kwamen werd hier een aparte kleedruimte gemaakt. 

Naast het pand bevond zich een steeg uitlopend in de garage. Halverwege was een groot hek dat 's nachts dicht ging.
Op het dak bevond zich een antenne en naarmate de verbindingsmiddelen werden uitgebreid werd deze antenne steeds hoger.
Later bij de uitbreiding van het pand werd de garage doorgebroken en werd een ruimte gemaakt voor het stallen van de voertuigen e.d.
Inmiddels beschikte het korps over een volledig toegeruste verkeersongevallenbus.
In dit nieuwe pand kwam een kleedruimte want men kwam inmiddels in burger in dienst. Er kwamen kamers voor de adjudanten en brigadiers.
Boven was een grote kantine met daarachter de kamer voor de vreemdelingendienst.
In de kantine hingen de prijzenkasten van de NPSV en de reserve-politie.
Inbeslaggenomen voertuigen werden gestald in de gele loods aan het Ruysdaelplein.
Verder was er in een bunker achter de Utrechtse Poort nog een zgn. "lijkenhuisje" gevestigd.
Hier konden gevonden lijken tijdelijk worden ondergebracht.
Weer veel later kwam het nieuwe bureau aan de Amersfoortsestraatweg. Dit bureau was een ideaal gebouw voor een klein korps met alles erop en eraan, jammer dat dit maar zo kort heeft geduurd.
Er waren zeer goede contacten met de overige gemeentelijke diensten, met name de afd. bevolking, de dienst gem.werken en de Sociale Dienst.

Een verhaal apart is het B-diploma. Met het behalen van dit diploma kon je brigadier worden. Het was een pittig examen en er zijn er maar weinig die in een keer voor dit diploma slaagden.
Alvorens dat je brigadier werd moest je eerst nog wel even 6 weken naar de Kaderschool in Zutphen.
Haalde je het B-diploma niet dan bleef je hoofdagent en je kreeg al gauw de naam "hoofdagent z.v." (zonder vooruitzichten).
Kort na de reorganisatie werd het B-diploma afgeschaft en zo konden diverse hoofdagenten zonder B-diploma alsnog worden bevorderd tot brigadier (schaal 8).
Brigadiers met de nodige dienstjaren konden eenmalig doorlopen in de salarisschaal van een adjudant (schaal 9).
De rang van adjudant verdween en werd inspecteur.

In de loop van 1993 werd het totale archief van de politie overgebracht naar het stadsarchief. Dat betekende dat de totale administratie daar nu ligt. Het is te veel om op te noemen. Maar de belangrijkste documenten om een beeld te krijgen van het functioneren van het korps zijn toch de dagrapporten, afschriften proces-verbaal misdrijven, afschriften proces-verbaal verkeersongevallen en diverse maand / jaar rapporten aan de Procureur-generaal, burgemeester en gemeenteraad. Ook de vreemdelingenadministratie is van belang. Behoudens enkele gesloten documenten is vrijwel alles openbaar, m.u.v. de dagrapporten en processen-verbaal. Hiervoor geldt een embargo van 75 jaar. De makers van deze website dragen gedegen kennis van de inhoud waarbij één zich in het bijzonder heeft verdiept in de geschiedenis tijdens de oorlog.

Tot 1942 bestond het werk hoofdzakelijk uit openbare ordehandhaving en probleemoplossing. De eerste twee oorlogsjaren brachten daar ondanks de bezetting geen verandering in. Alle bijzonderheden werden opgetekend in dagrapportboeken. Deze boeken werden aan het einde van de dienst in gevuld door de oudste in rang of anciënniteit. Dit gebeurde met de kroontjespen en de handschriften zijn mooi en uitstekend te lezen. De eerste boeken verschenen in de twintiger jaren van vorige eeuw. Over het algemeen bestond een jaargang uit een boek. In de laatste jaren kwam er wel eens een tweede boek bij. De werkzaamheden namen kennelijk toe. Alleen in de oorlogsjaren nam het muteren -zoals dat werd genoemd- in het dagrapport sterk af. Het personeel vond het waarschijnlijk niet nodig om alles op te schrijven. In de loop van de zestiger jaren werd overgegaan op het muteren op een losbladig systeem dat in een typemachine zat. Alles wat gebeurde werd daar door de medewerker in geschreven die het had behandeld of het nodig vond ter informatie daar in te schrijven. Het losbladig systeem werd gebruikt om te archiveren en om de voortgang te bewaken. Tegenwoordig hebben we daar computers voor. De dagrapporten zijn niet helemaal compleet. Het boek van 1943 is verdwenen. Over deze verdwijning gaan nog steeds de wildste geruchten. Vastgesteld kan worden dat in dat jaar door de Naardense leden van het korps loyaal werd mee gewerkt aan allerlei activiteiten die door de bezetter waren opgedragen te beginnen in 1942 met het afvoeren van de Naardense joden. Uit deze dagrapporten en diverse administratie documenten kan de werkwijze van de Naardense politie worden gedistilleerd. Het eerste echte politiebureau bevond zich in de vorige eeuw onder het raadhuis. De volgende en permanente huisvesting bevond zich aan de Cattenhagestraat 16. Onder dat bureau bevond zich in eerste instantie in de kelder een dubbele cel. Een van die deuren is bewaard gebleven en zit nu in het nieuwe bureau. Door de jaren heen werd vanuit dat bureau de dienst gedraaid. Het toezicht werd per fiets uit gevoerd, ook in de nachtelijke uren. Veel meldingen zijn er over de Gooise Stoomtram die door de vesting liep. Overlast, aanrijdingen met hand- en paardenkarren. Daar is ook veel over te lezen in de wekelijkse rapporten naar de burgemeester. De tram bracht voorspoed maar ook veel gedoe.

De bezetting in de eerste helft van de vorige eeuw was stabiel met weinig mutaties. Een gestage uitbreiding zorgde er voor dat de sterkte in 1940 12 man bedroeg.

Hieronder het volledige jaarverslag van 1981.

Hieronder enkele willekeurig gekozen bladzijden uit andere jaarverslagen.